maandag 30 maart 2026

Harmonie in hartje Haarlem

Optreden. Het blijft spannend.
Je mond openen en je stem laten horen – ook al ken je de tekst en de melodie nog zo goed. Zeker als dat gebeurt op een plek als de phil. (recent zonder harmonie) Haarlem. Alleen al die zaal, de ruimte, de verwachting… het doet iets. Het zet me toch op scherp.

Met ons koor stonden we daar, samen met nog heel veel andere zangers. Ter ere van het jubileum van onze bevlogen dirigente. Een zaal gevuld met stemmen, met muziek, met aandacht. En ergens ook met een portie gezonde spanning. Want zingen, is toch ook jezelf laten zien. Je stem laat zich niet verstoppen.

Tijdens de generale liep er nog van alles anders dan gepland maar toen we aan de beurt waren, gebeurde er iets. Onze stemmen vonden elkaar. Waar het eerst nog zoeken was, ontstond samenklank. Ieder met een eigen klank, een eigen kleur - en toch gedragen door het geheel. Dan merk je: je staat niet alleen, maar mèt en naast de ander…je klinkt samen, als één.

Na afloop sprak ik een dame van in de tachtig. Ze was zichtbaar ontroerd. Dankbaar ook. Ze vertelde dat ze geraakt was door wat ze had gezien en gehoord. Niet alleen door de muziek, maar door wat eronder lag. Het vertrouwen. Het op elkaar leunen. Het durven.

Haar woorden bleven hangen.
Omdat deze dame liet zien, dat wat voor ons misschien gewoon zingen is, voor een ander iets kan openen. Iets van herkenning misschien. Of een verlangen. Om ook weer een eigen klank te laten horen. Om, ondanks de aarzeling, toch een stap naar voren te zetten. In vertrouwen.

Verwonderd loop ik naar huis.
Dankbaar dat we gelukkig zelfs in de phil. – zonder harmonie - een heel hart aan harmonie kunnen beleven.

zaterdag 7 maart 2026

Blog 2 De wereld volgens Thor (2) "Ik leer snel"

Ik leer snel. Weliswaar wist ik eerst niet dat mijn naam Thor was, maar wat ik wél heel snel in de gaten kreeg, is dat als ik buiten poep of plas, ik wat lekkers krijg. Dat hoefden ze me geen twee keer te zeggen.

Daarnaast leer ik supersnel om te wachten bij de voordeur, bij het oversteken en bij het eten krijgen. Binnenshuis luister ik geweldig goed naar commando’s, zoals zitten, liggen en naast.

Buitenshuis groeien er bananen in mijn oren, zegt het baasje. Ik weet niet wat hij bedoelt, maar als ik andere honden zie, dan kan ik gewoon niet komen. Dan wil ik spelen, spelen, spelen en ik weet nog niet zo goed dat ik op baasje en vrouwtje moet letten. Zij letten toch op mij?

Ook bij de ‘jonge honden training’ doe ik super mijn best en kan ik heel goed bij het baasje komen. Maar als ik los ben in het bos of op het strand… tja… dan ga ik ook echt LOS.

En alleen zijn… dat vind ik niet leuk. Dan kijk ik of er ergens een draadje los hangt waar ik aan kan trekken. Bijvoorbeeld de punt van de theedoek, waar dan liefst nog wat glaswerk op staat, dat dan omvalt. Of ik zet mijn grote klossen van voorpoten op het aanrecht en lebber met mijn nog grotere tong de bouillon uit de pan. Óf ik vind het groenteafvalzakje en trek dat door de keuken heen. En niet te vergeten de sloffen en schoenen die ik graag meesleep naar mijn mand.

Ik zie dat niet als slopen trouwens. Ik noem het: het huis een beetje herinrichten.

Logisch toch? Wie wil er nu alleen zijn?

Inmiddels heb ik ook de hele familie ontmoet. Iedereen is even enthousiast over mij — en ik over hen. Ik word keurig voorgesteld als Thor en ik geef iedereen een lik en een poot. Dat is toch best netjes voor zo’n straathond als ik.

Als mensen willen weten wat voor ras ik ben, hoor ik dat ik een ‘Chien de la Rue’ ben. Dat klinkt eigenlijk best goed, vind je niet?

Overigens noemt de kleinzoon van vier en een half jaar mij ‘Kever’.
Begrijp jij het?

Maar goed… ik leer snel. En volgens mij valt er in dit nieuwe huis nog een heleboel te ontdekken.

🐾 Thor

zondag 15 februari 2026

The World According to Thor (1) "What’s happening to me?"

It’s a real busy scene here at the shelter. All the dogs are barking more than usual, and the caretakers are excitedly talking to each other. Then a big van drives onto the shelter grounds. On the side, in big letters, it says “Happy Bus.” One by one, we dogs are loaded into the bus. From puppies to bigger dogs. At nine months old, I am the oldest and the biggest. Maybe there are almost thirty dogs in the bus!

I only know the shelter, where I was dumped as a pup along with my sister. My sister didn’t survive, but thanks to the care of the lovely people at the shelter, I made it. I’ve been waiting here for a golden bed for nine months. Not that I’m really aware of it, of course, but clearly something is about to happen now.

Now I’m in the bus. Three days and nights long, with only the occasional pee and poop break. The journey is long. From Romania to various places in Belgium and finally the Netherlands. The icy and snowy roads make the trip even longer. One by one, the dogs are dropped off at their new owners, and the bus gets emptier and emptier.
"Don’t forget me!"

When it’s my turn, it’s nine o’clock in the evening. I hear the door sliding open and my crate being unlocked. My leash is fastened tightly around my body so I can’t escape. 
"Where have I ended up?"

Two people are waiting, a man and a woman. They are handed the adoption papers and my leash. A little later, I hear the sliding door of the bus close again. The bus drives out of the neighborhood.

The hands of that man and woman smell pretty okay, and soon I press my nose to the ground, follow that scent, and walk straight into their house without hesitation.

"Okay, first a pee on the mat and a poop on the kitchen floor! Ah, that feels better!"

After the journey, I’m tired and, without any polite introductions, I flop down on a wool blanket that just lies on the floor. Warm and soft — something I’ve never known — and it’s much better than the crate in the bus.

Maybe this really is one of those golden beds they always talk about. But what that actually means… I still have to find out.


 

De wereld volgens Thor (1) "Wat gebeurt er allemaal met me?"

Het is een drukte van jewelste hier in het asiel. Alle honden blaffen meer dan normaal en de verzorgers staan opgewonden te praten met elkaar. Dan rijdt er een grote bestelwagen het terrein van het asiel op. Op de wagen staat met grote letters “Happy Bus”. Een voor een worden wij honden in de bus gelaten. Van puppies tot grotere honden. Met mijn negen maanden ben ik de oudste en de grootste. Misschien zitten er wel bijna dertig honden in de bus!

Ik ken alleen het asiel, waar ik als pup ben gedumpt samen met mijn zusje. Mijn zus heeft het niet overleefd, maar door de zorg van de lieve mensen uit het asiel heb ik het gered. Al negen maanden wacht ik hier in het asiel op een gouden mandje. Niet dat ik me daar bewust van ben natuurlijk, maar er staat duidelijk iets te gebeuren nu.

Nu zit ik in de bus. Drie dagen en nachten lang, met alleen af en toe een plas- en poepstop. De reis duurt lang. Van Roemenië naar diverse plekken in België en uiteindelijk Nederland. Door de ijzel en de sneeuw duurt de reis nog langer. Een voor een worden de honden afgezet bij hun nieuwe baasjes en de bus wordt leger en leger.
‘Vergeten jullie mij niet?’

Als ik aan de beurt ben, is het negen uur ’s avonds. Ik hoor hoe de deur weer open wordt geschoven en hoe mijn bench wordt opengemaakt. Mijn riem zit stevig om mijn lijf vastgemaakt, zodat ontsnappen onmogelijk wordt. 
'Waar ben ik nu beland?'

Er staan twee mensen klaar, een man en een vrouw. Zij krijgen een adoptiepapier in hun handen gedrukt en mijn riem. Even later hoor ik de schuifdeur van de bus weer dichtvallen. De bus rijdt de wijk uit.

De handen van die meneer en mevrouw ruiken best oké en snel druk ik mijn neus tegen de grond en volg die geur en loop zonder te aarzelen het huis van de man en de vrouw in.

‘Zo, nu eerst even een plas op de mat en een poep op de keukenvloer! Goh, dat lucht op!’

Door de reis ben ik moe en zonder beleefde praatjes om me netjes voor te stellen, ga ik languit liggen op een wollen deken die zomaar op de grond ligt. Lekker warm en lekker zacht, dat ken ik niet, maar het ligt beter dan die bench in de bus.

Zou dit soms zo’n gouden mandje zijn waar ze het altijd over hebben. 
....wat dat precies betekent… dat moet ik nog ontdekken. 


 

 

 

vrijdag 13 februari 2026

Poep hoort niet in het liedje

Mijn kleinzoon van tweeënhalf zit bij me in de auto. We tellen auto’s, kijken naar de blauwe lucht,  de wolken, de stoplichten, bussen, bomen en vogels. Heel keurig tellen we de vingers op onze hand. Hij steekt trots twee vingers op en daarna drie!

Als het even stil is, zegt dat mannetje gedecideerd:
‘Nu gaan we Olifantje in het bos zingen.’

Ik ken het liedje niet heel erg goed, maar vol goede moed beginnen we aan de eerste regels:
'Olifantje in het bos, laat je mama toch niet los.
Anders raak je de weg nog…'

‘POEP!’ roept hij dan. Vanuit mijn spiegel zie ik dat hij me verwachtingsvol aankijkt.

Poep hoort geloof ik niet in het liedje, maar ik speel gewoon met hem mee en roep:
‘PLAS!’

Die had hij niet zien aankomen. Hij is er even stil van. Maar dan is het hek van de dam.

IJverig gooit hij er nu alle vieze woorden uit die hij kan bedenken. Het is een behoorlijk ontlasting-gerelateerd repertoire: 'POEP, PLAS, PIEMEL, PLASSER, BILLEN' - en dan weer 'POEP POEP POEP'.

Voor het stoplicht wachtend, lig ik gevouwen achter het stuur, maar verman mezelf. Ik moet wel een beetje blijven opletten natuurlijk. En op dat moment komt er een politieauto mét sirene langsrijden. 
Bijna voel ik me betrapt.

En zo rijden we verder.
Met vieze woorden, een slappe lach
en een liedje dat nooit meer hetzelfde zal zijn.

 

Vragen over meditatie, bewustwording, transformatie? Klik hier! 

woensdag 4 februari 2026

Een beetje blauw van de hemel

Met mijn kleinzoon van vier jaar loop ik door het wandelbos in de buurt. We zijn al bij de kinderboerderij geweest, maar nu zijn we onderweg naar de grote ‘berg’. Voor een kind van vier is een bobbel in de aarde al snel een berg, maar ik speel zijn spel van een heuse beklimming mee, als een doorgewinterde actrice.

Boven aangekomen kijkt hij omhoog, door de winterse kale boomtoppen heen, naar het blauw van de lucht. Hij strekt zijn handen uit en zegt:
‘Ik kan er niet bij!’

Op zoek naar een oplossing vraagt hij of hij er misschien bij kan als hij op een grote, omgevallen boom zou klimmen. Met grote, vragende ogen kijkt hij me hoopvol aan.

'Tja. Probeer het maar!'

Hij klautert omhoog en gaat op de oude stronk staan van de boom die ooit tot ver in de hemel reikte. Hij staat op zijn tenen en rekt zich helemaal uit. Vanaf de grond doe ik met hem mee en reik ook naar het blauw. Ik spoor hem aan: 

‘Zullen we een beetje blauw van de hemel vastpakken?’

Een langslopende heer doet spontaan mee. Met z’n drieën pakken we handen vol blauw uit de hemel en drukken het tegen ons hart.

'Gelukt!' 

Verguld kijkt hij me aan! Zijn ogen stralen en zo liepen we verder.
Met onze voeten in de klei en met iets lichts op ons hart!

 

 

Begeleiding in Bewustwording 

dinsdag 3 februari 2026

De handen om ons heen

Onlangs waren we op kraamvisite en de kersverse moeder drukte mij al snel de baby in mijn armen. Heerlijk. Zo’n klein, warm lijfje. Het vertedert me altijd weer. Ik los dan gewoon even op. En heb alleen maar oog voor en ik voel alleen dat kleine wezentje tegen mijn hart.

Na een tijdje hoor ik haar zuchten. Ze vraagt hoe wij dat toch deden, in de tijd dat het verlof zoveel korter was. En dat vaders eigenlijk geen verlof hadden, misschien hooguit een dag of twee. Ze was overigens niet de eerste die me dit vroeg.

Tja. We deden het gewoon. Zo ging dat. Het was vanzelfsprekend. Na die ene week kraamzorg pakte je het leven weer op en deed je alles zelf. Natuurlijk waren de vaders er wel. Ze staken hun handen uit waar dat kon. Maar de tijd was anders. Dat is gewoon zo.

Wat ik me nu pas echt realiseer, is hoe groot de rol van buren was in ons gezin. Vooral buurvrouwen. Moeders met kinderen in dezelfde leeftijd. We haalden en brachten elkaars kinderen naar school, zetten de babyfoon even bij de buurvrouw neer als je kort weg moest. We vingen veel van elkaar op. We propten net iets te veel kinderen op de fiets of in de auto, smeerden gewoon wat extra boterhammen voor extra mondjes. En als de mannen konden, dan deden zij dat ook. De buurt deed mee. De buurt was belangrijk. Ook of juist als de moeders weer aan het werk gingen.

Toen ik mijn jonge buurvrouw onlangs aanbood dat ze gerust even de babyfoon kon brengen als ze weg moest, werd dat ineens weer helder. Zozeer steunden wij op elkaar toen onze kinderen klein waren. Zo vanzelfsprekend. Geen dankjewel nodig. Je deed het gewoon voor elkaar. Net zo vanzelfsprekend als dat er geen ouderschapsverlof was. 

De generatie die nu kinderen krijgt, regelt veel meer zelf. Petje af voor hoe ze dat allemaal doen met alle kosten, wachtlijsten en verplichtingen. Extra zorg wordt uitbesteed aan kinderdagverblijven, naschoolse opvang of een nanny. Alles heeft zijn voor- en nadelen, dat weet ik heus wel. En toch - nu ik hier zo over zit te mijmeren - voel ik vooral dankbaarheid. Voor al die handen die er waren toen mijn kinderen klein waren. Die tijd raasde in sneltreinvaart voorbij, maar het voelde als een veilig, warm bad.

Burenhulp was geen eenrichtingsverkeer. Het was geven en ontvangen. Vandaag hielp jij mij. Morgen ik jou. Hulp vragen hoorde erbij. Net zo goed als een extra hand bieden.

Elkaar zien. 
Een handje uitreiken is zo natuurlijk. 
En weten dat we het niet allemaal alleen hoeven te doen.



Begeleiding in Bewustwording