Posts tonen met het label hemel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hemel. Alle posts tonen

dinsdag 26 mei 2026

Piemels, heksen en grote vragen

Mijn kleinzoon van 4,5 jaar en ik kunnen samen heerlijk stil zijn, ieder in eigen binnenwereld, ontspannen en van tijd tot tijd is er een uitwisseling over de meest uiteenlopende onderwerpen. Af en toe belanden we in een ‘waarom-vragen’, maar vaker praat dit mannetje over wat er spontaan in hem opborrelt en luister ik in stille verwondering naar zijn observaties en wat hem zoal bezighoudt:

‘OmaLin: jij bent een meisje dus jij hebt geen piemel. Opa wel, want hij is een jongen.’
‘OmaLin: jij bent de mama van mijn mama. OmaWicca is de mama van mijn papa.’
‘OmaLin, je hebt lieve heksen en boze heksen. Ben jij ook een heks?’

Mijn antwoorden bestaan grotendeels uit: ‘Ja dat klopt’. En dan wordt al snel een ander onderwerp tegen mij aangehouden, van piemels en poep tot leven en dood.

Vandaag slenteren we saampjes, puffend van de warmte, naar de supermarkt om de hoek om een ijsje te halen. Nonchalant tegen een steentje schoppend, hoor ik zijn heldere stemmetje:

‘OmaLin, Grootmoeder is jouw mama, toch?’ En in één adem vervolgt hij dat zij nu in de hemel is. 
‘Ging zij eerder dood dan jij?’, vraagt hij dan en kijkt me bloedserieus aan. Ik moet nu wel een glimlach onderdrukken, maar ik hoef niets te zeggen, want hij praat rustig verder.

‘En grootvader is toch jouw papa? Hij is ook dood en in de hemel bij grootmoeder.
Ik vind het wel jammer dat ik ze niet meer kan zien’.

Dan denkt hij even na en kijkt me dan opgewekt aan en zegt dan:
‘Jij bent er gewoon nog, maar weet je, OmaLin: Alles wat leeft gaat dood.’

‘Ja, dat klopt.’

Met ons ijsje in de hand lopen we daarna naar huis. 

Zijn gezichtje en handjes zitten al vol met smeltend ijs. En ik smelt mee.



woensdag 4 februari 2026

Een beetje blauw van de hemel

Met mijn kleinzoon van vier jaar loop ik door het wandelbos in de buurt. We zijn al bij de kinderboerderij geweest, maar nu zijn we onderweg naar de grote ‘berg’. Voor een kind van vier is een bobbel in de aarde al snel een berg, maar ik speel zijn spel van een heuse beklimming mee, als een doorgewinterde actrice.

Boven aangekomen kijkt hij omhoog, door de winterse kale boomtoppen heen, naar het blauw van de lucht. Hij strekt zijn handen uit en zegt:
‘Ik kan er niet bij!’

Op zoek naar een oplossing vraagt hij of hij er misschien bij kan als hij op een grote, omgevallen boom zou klimmen. Met grote, vragende ogen kijkt hij me hoopvol aan.

'Tja. Probeer het maar!'

Hij klautert omhoog en gaat op de oude stronk staan van de boom die ooit tot ver in de hemel reikte. Hij staat op zijn tenen en rekt zich helemaal uit. Vanaf de grond doe ik met hem mee en reik ook naar het blauw. Ik spoor hem aan: 

‘Zullen we een beetje blauw van de hemel vastpakken?’

Een langslopende heer doet spontaan mee. Met z’n drieën pakken we handen vol blauw uit de hemel en drukken het tegen ons hart.

'Gelukt!' 

Verguld kijkt hij me aan! Zijn ogen stralen en zo liepen we verder.
Met onze voeten in de klei en met iets lichts op ons hart!

 

 

Begeleiding in Bewustwording 

donderdag 13 maart 2025

Het licht van de laastse adem (20)

Het lichaam van moeder werd de laatste maanden dunner, kwetsbaarder – ze bereidde zich voor op haar dood. Ze at minder, behalve als ze mee uit werd genomen, dan at ze meer dan ik. Steeds meer keerde ze naar binnen, sprak minder, reikte minder uit, maar merkte wel de zilveren schittering van een vliegtuig in de verte op, zuchtend van bewondering voor hun komen en gaan. Moeder schuifelde steeds voorzichtiger door haar kamer in het verzorgingstehuis. Plantjes werden trouw verzorgd door prachtige tere handen, ze keek wat televisie, ontdekte het plezier van in stilte een mooie kleurplaat inkleuren.

Haar gezicht lichtte altijd op als ze mij of een ander familielid zag. Haar gulle lach bleef en dan ging de hemel altijd een klein beetje open. Toch bereikte haar glimlach niet altijd meer haar ogen. Moeder was klaar om te sterven. En eigenlijk al heel lang.

We praatten er veel over in intieme en diepgaande gesprekken. De wolk van dementie verdween altijd weer als we zo van hart tot hart met elkaar spraken. Haar ogen stonden dan helder, net als haar stem.

Ze begreep niet waarom God haar niet allang had opgehaald, tenslotte was zíj er helemaal klaar voor. Moeder had een prachtig en voltooid leven waar ze vol dankbaarheid op terugkeek. Haar mentale lijden werd zichtbaar erger en voor haar ondraaglijk. Klagen, had ze niet geleerd en nooit gedaan, dus daar is ze ook op het laatst niet aan begonnen.

Wel bleven we de verborgen vragen en rafelrandjes onderzoeken. We spraken over ‘hemel en hel’ en hoe we beiden vertrouwden op een liefhebbende God en over de vrije wil en hoe die samenvloeit met Zijn Wil. Zelfs reïncarnatie kwam langs – elk moment, elk leven misschien een kans om te leren en te groeien.

‘Misschien heb ik nog iets te doen?’, vroeg ze regelmatig, haar ogen indringend in de mijne, alsof het antwoord in mij lag. Dan baden we samen of hielden elkaar vast, tot de rust kwam – een stilte die meer zei dan woorden.

Vlak voordat moeder in overgave door de poort van de hemel ging, begreep ik pas wat zij nog te doen had….in elk geval voor mij.

In mij leefde weerstand tegen euthanasie, diep geworteld in mijn katholieke opvoeding waar zelf kiezen om te sterven niet mag – geen nuance, geen uitzondering. De pastoor noemde het ‘moord’, een oordeel dat ik jaren (levens?) droeg. Niet eens dat de kerk het zíet als moord, maar dat het moord ìs. Een belangrijke nuance, die vol overgave werd verkondigd. Toch dwong moeders zorgvuldige voorbereiding me dat te onderzoeken.

Alles in mij wilde moeder volledig ondersteunen in haar langgekoesterde, besproken en vastgelegde wens. Ik wilde er voor haar zijn vanuit vrijheid en liefde, niet vanuit een kramp uit het katholieke geloof of angst. Ik wilde maar één ding: er voor mijn moeder Zijn in twijfelloosheid, zodat we ons beiden volledig vrij en gesteund voelden.

Op de vooravond van het overlijden van moeder kon ik deze angst pas helemaal overstijgen. Na periodes van zelfonderzoek, van het niet wegkijken van de twijfel, van contemplatie en meditatie, werd iets doorbroken. Er scheen licht op jarenlange, zo niet levenslange, angst voor de gepredikte hel en verdoemenis.

Er kwam ruimte voor vrije wil, voor keuze uit liefde en een verdiept respect voor moeder. Ook voor de pastoor groeide begrip – hij predikte wat hij geloofde, zoals het zijn taak was. Maar niet meer voor mij. Misschien is dat wat vrijheid echt betekent.

Moeder ging in helderheid, kracht, vertrouwen en liefde. Zo licht als een veertje viel haar adem in de grote Adem.

Ja, mam, u had nog wat te doen en dat heeft u gedaan. U wachtte tot de cirkel rond was. Dat is genade. Dat is liefde. Dat is wijsheid.

Het licht van haar laatste adem liet een schaduw in mij vervagen.
Openheid en vrede bloeiden op –
een liefde die ik elk mens toewens.